Wanneer een verhuurder een woning wil laten ontruimen, draait de zaak meestal om contractuele afspraken: bijvoorbeeld omdat de huurder zijn afspraken niet (goed) is nagekomen. Maar wat als er kinderen in die woning wonen? In hoeverre houdt een rechter hier rekening mee?
In kort geding had de verhuurder gevorderd dat de huurders werden veroordeeld tot ontruiming van de woning. Aan deze vordering had de verhuurder ten grondslag gelegd dat de huurders ernstig tekort waren geschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit de huurovereenkomst. Daarbij was van belang dat in en rondom de woning munitie en een vuurwapen waren aangetroffen en dat tevens sprake was geweest van activiteiten in strijd met de Opiumwet.
De vraag die uiteindelijke centraal stond, is welke rol de belangen van kinderen spelen bij een ontruiming.
In zaken waarin kinderen worden geraakt door een beslissing, is het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: “IVRK”). van toepassing Hierbij dient het belang van het kind een “eerste overweging” te vormen.
De Hoge Raad maakt duidelijk dat “eerste overweging” betekent dat aan het belang van het kind een bijzonder zwaar gewicht toekomt. De rechter dient het belang nadrukkelijk en zichtbaar mee te wegen. Dit betekent niet dat het belang van het kind het enige belang is dat telt. Andere belangen, zoals die van de verhuurder of omwonenden, kunnen in bepaalde gevallen nog steeds zwaarder wegen.
Bij een ontruimingsvordering kijkt de rechter naar de vraag of de huurder zodanig is tekortgeschoten dat beëindiging van de huur gerechtvaardigd is. Denk aan ernstige overlast, drugshandel of gevaarlijke situaties in en rond de woning. Dat zijn zwaarwegende tekortkomingen. Als er kinderen in de woning wonen, moet de rechter daarnaast expliciet onderzoeken wat de gevolgen van een ontruiming voor hen zijn. De factoren die hierbij een rol spelen zijn onder meer hun recht op huisvesting en het belang om bij hun ouders te blijven een rol.
Toch betekent dit niet dat vordering tot ontruiming dan automatisch wordt afgewezen. Ook als de gevolgen voor kinderen groot zijn, kan een ontruiming gerechtvaardigd blijven.
Een ander element in de afweging is de vraag of er alternatieve huisvesting beschikbaar is. Als een gezin ergens anders terechtkan, weegt dat anders dan wanneer een ontruiming feitelijk tot dakloosheid leidt.
Maar ook hier geldt steeds: het ontbreken van alternatieve huisvesting betekent niet automatisch dat een ontruiming niet toegewezen kan worden. De Hoge Raad benadrukt dat de verantwoordelijkheid voor opvang in de eerste plaats bij de ouders en de overheid ligt, niet bij de verhuurder. Daarnaast kan de rechter een langere termijn geven voordat de woning moet worden verlaten, zodat er tijd is om andere woonruimte te vinden.
Verder leidt het gedrag van de ouders in beginsel niet ertoe dat de kinderen “minder beschermd” worden door de fouten van hun ouders. Dit betekent echter ook niet dat het gedrag in zijn geheel geen rol speelt. Integendeel, het gedrag van de ouders kan zwaar meewegen in het voordeel van de verhuurder.
Met deze beslissing verduidelijkt de Hoge Raad de positie van kinderen bij een ontruiming. De belangen van kinderen wegen zwaar mee, maar zijn niet doorslaggevend. Ze moeten een zichtbare plaats krijgen in de beoordeling, maar worden uiteindelijk afgewogen tegen andere belangen. De uitkomst hangt daarmee steeds af van de concrete omstandigheden van het geval.
Wilt u weten wat deze uitspraak voor uw situatie betekent, neem dan gerust contact met ons op voor advies.
Vindplaats bron: ECLI:NL:GHDHA:2026:545, Gerechtshof Den Haag, 200.341.163/01
auteur
Zamina Dadasova
zdadasova@benthemgratama.nl
+31 (0)6 830 255 24