Waarmee kunnen we u helpen?

-

Fosfaatrechten en de voorzienbaarheid: een never ending story?

Over het fosfaatrechtenstelsel zijn ondertussen zeer veel uitspraken gedaan. Inmiddels weten we dat de meeste beroepen tegen fosfaatrechtenbeschikkingen zijn afgestuit op de voorzienbaarheid van het fosfaatrechtenstelsel. De eerste uitspraken die het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) deed over artikel 1 EP EVRM en de voorzienbaarheid in relatie tot het fosfaatrechtenstelsel,  was de beslissing tot heropening van het onderzoek van 17 oktober 2018 van het CBb. Het CBb oordeelde dat op het niveau van de regelgeving sprake is van een ‘fair balance’, omdat het fosfaatrechtenstelsel voorzienbaar was. Voor melkveehouders kon het duidelijk zijn dat een ongeremde groei van de melkveehouderij niet mogelijk was en dat na afschaffing van de melkquota mogelijk toch weer andere maatregelen, ook productiebeperkende maatregelen, zouden volgen, aldus het CBb.

Waarschuwingsplicht financieringsverstrekker

Een melkveehouder uit Brabant liet zich daardoor niet uit het veld slaan en was van mening dat als het fosfaatrechtenstelsel voor hem voorzienbaar was, dat ook gold voor zijn bank. Die had hem immers een financiering verstrekt voor een (volgens het CBb) ongeoorloofde, want voorzienbare, uitbreiding van zijn bedrijf. De melkveehouder startte een procedure tegen de bank bij de rechtbank Midden Nederland en vorderde vergoeding van de schade die hij heeft geleden doordat de overheid, nadat de financieringsovereenkomst in oktober 2014 was gesloten, een fosfaatrechtenstelsel heeft ingevoerd, waardoor hij extra fosfaatrechten heeft moeten kopen. Volgens de melkveehouder had de bank hem op het risico op het invoeren van dit stelsel (of een ander productiebeperkend stelsel) moeten wijzen, en hem zelfs daarvoor moeten waarschuwen.

Voorzienbaarheid productiebeperkende maatregelen

De rechtbank wees de vordering af, omdat op de bank geen mededelings- of waarschuwingsplicht rust op dit punt. Ten aanzien van de voorzienbaarheid van het fosfaatrechtenstelsel doet de rechtbank daarbij echter wel een interessante overweging:

“3.21 [eisers c.s.] stelt ook niet dat hij niet wist van de mogelijkheid van productiebeperkende maatregelen in zijn algemeenheid, maar dat hij is overvallen door het feit dat de overheid al in 2015 tot (de aankondiging van) een dergelijke maatregel is overgegaan met (bij invoering van het stelsel per 1 januari 2018) een peildatum die teruggreep tot in 2015 en een knelgevallenregeling die hem geen compensatie bleek te bieden.

3.22. Maar dat wist Rabobank ook niet, en dat kon zij ook niet weten ten tijde van de contractsluiting. In oktober 2014 was er namelijk alleen het plan van de overheid om melkveebedrijven te laten groeien en overschrijding van het fosfaatplafond te voorkomen via grondgebondenheid en mestverwerking. Productiebeperkende maatregelen werden weliswaar als stok achter de deur gehouden, maar niet wenselijk en effectief geoordeeld.”

De rechtbank lijkt derhalve te oordelen dat de komst van het fosfaatrechtenstelsel in oktober 2014 nog niet voorzienbaar was, terwijl het CBb eerder oordeelde dat productiebeperkende maatregelen al veel eerder, in ieder geval voor oktober 2014, voorzienbaar waren. De rechtbank Midden Nederland lijkt de onevenredige situatie waarin melkveehouders verkeren daarom wel te erkennen, maar geeft aan daar in deze procedure niets aan te kunnen doen.

CBb blijft bij haar standpunt

Inmiddels is ook het CBb geconfronteerd met de uitspraak van de rechtbank Midden – Nederland van 24 maart 2021. In een uitspraak van 1 juni 2021 oordeelt het CBb dat zij de betreffende melkveehouder niet volgt in zijn standpunt dat de voorzienbaarheid van de invoering van het fosfaatrechtenstelsel hem, gelet op de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, niet langer kan worden tegengeworpen. Volgens het CBb is de vordering van de melkveehouder in die procedure tegen de Rabobank niet afgewezen omdat de invoering van een dierenrechtenstelsel niet voorzienbaar zou zijn geweest, maar omdat het voor de melkveehouder even voorzienbaar was als voor de Rabobank. Met andere woorden: zowel de Rabobank als de melkveehouder wisten dat het risico op (dreigende) overschrijding van het derogatieplafond bestond en dat in dat geval een dierenrechtenstelsel zou komen. Ook de rechtbank constateert dat productiebeperkende maatregelen al vanaf 2007 boven de markt hingen, aldus het CBb.

Conclusie

Aan de uitspraken van het CBb in beroepsprocedures tegen fosfaatrechtenbeschikkingen verandert op het punt van de voorzienbaarheid derhalve vooralsnog niets. De discussie over de voorzienbaarheid lijkt daarmee weer te zijn gesloten, maar tegelijkertijd blijft de discussie over de onevenredige situatie waarin melkveehouders verkeren onderwerp van aandacht.

Meer weten?

Wilt u meer weten over dit of andere onderwerpen? Neemt u dan contact op met ons Team Agrarisch & Grondzaken.

Esther Wijnneauteur:
Esther Wijnne-Oosterhoff
038 4280090
ewijnne@benthemgratama.nl

U gebruikt een verouderde browser van Internet Explorer die niet meer wordt ondersteund. Voor optimale prestaties raden wij u aan om een nieuwere browser te downloaden. Hiervoor verwijzen wij u door naar:

browsehappy.com sluiten