Het college van Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant (hierna: ‘het college’) heeft kenbaar gemaakt dat zij het voornemen heeft om de natuurvergunningen van vijf veehouderijen in te trekken. Het college meent dat zij hiertoe wettelijk verplicht is vanwege een uitspraak in eerste aanleg van de Rechtbank Oost-Brabant (hierna: ‘de rechtbank’) d.d. 16 april 2025. Over het intrekken van deze vergunningen is veel onrust ontstaan. Kan elke vergunning dan zomaar ingetrokken worden?
Omdat volgens het college de uitspraak van de rechtbank d.d. 16 april 2025 haar verplicht tot het intrekken van de vergunningen, ontstaat de vraag wanneer een ‘Nb-vergunning’ ingetrokken kan worden aan de hand van deze uitspraak.
Die uitspraak gaat over het verzoek van de MOB aan het college om vergunningen van een aantal veehouderijen vlakbij Natura 2000-gebieden in te trekken of te beperken op grond van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn.
In deze blog ga ik in op vier onderdelen uit deze uitspraak die zien op de vraag wanneer een vergunning al dan niet kan worden ingetrokken.
Vooraf is relevant dat de rechtbank heeft vastgesteld dat in de nabijgelegen Natura2000-gebieden alle beschermende habitats achteruitgaan. Er zal volgens de rechtbank een blijvende, substantiële daling van stikstofdepositie moeten plaatsvinden binnen één jaar. Dit leidt de rechtbank af uit de natuurdoelanalyses en adviezen van de Ecologische Autoriteit. Het college heeft op dit onderdeel geen verweer gevoerd. Mogelijk zal in hoger beroep hierin verandering komen als vanuit het college en/of de getroffen landbouwers de conclusie die de rechtbank aan de natuurdoelanalyses verbindt, ter discussie wordt gesteld.
Ten eerste is het de vraag of landelijke maatregelen die gericht zijn op stikstofreductie voorkomen dat er verplichting ontstaat om een vergunning in te trekken.
Volgens de rechtbank kunnen landelijke maatregelen die zien op stikstofreductie dat alleen voorkomen als het beoogde effect daarvan gebiedsgericht op habitatniveau in beeld is gebracht. Dit geldt dus ook voor het maatregelenpakket zoals aangekondigd in de stikstofbrief van minister Jaimi Van Essen d.d. 26 juni 2026. Dat maatregelenpakket leidt dus niet zomaar tot het voorkomen van het intrekken van vergunningen.
Ten tweede wordt de vraag gesteld of het college bij het intrekken van de vergunningen mogelijk in strijd handelt met het verbod op willekeur.
De rechtbank oordeelt dat als het noodzakelijkerwijs treffen van passende maatregelen ertoe leidt dat intrekking van de vergunning in beeld komt, het college intrekkingsbeleid moet maken voor de vraag in welke gevallen en onder welke voorwaarden het tot intrekking overgaat van een vergunning. Daarmee wordt willekeur voorkomen.
Het is dus de vraag welk beleid het college hiervoor heeft gemaakt en of daarin onderscheid wordt gemaakt naar de aard van een bedrijf (b.v. alleen pluimveebedrijven) en of dat onderscheid ook kan worden gerechtvaardigd. Er moet dus een goede, eerlijke en duidelijke reden zijn waarom de vergunning van andere piekbelasters niet wordt ingetrokken.
De jurist van de MOB lijkt ook van mening te zijn dat er wel beleid moet zijn gemaakt door het college om te kunnen komen tot een rechtsgeldig en houdbaar besluit tot intrekking van de vergunning en dat dit op dit moment lijkt te ontbreken.
In de derde plaats is het de vraag of een besluit om een onherroepelijk verleende vergunning in te trekken, in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelt dat het rechtszekerheidsbeginsel is begrensd en het zich niet als zodanig verzet tegen het nemen van passende maatregelen omdat anders de wettelijke mogelijkheid dat een vergunning kan worden ingetrokken geen enkele betekenis heeft, wat in strijd zou zijn met artikel 6 van de Habitatrichtlijn.
De rechtbank oordeelt dus dat bij het kiezen van passende maatregelen het college de rechtszekerheid weliswaar dient te betrekken, maar dat die rechtszekerheid dus niet alles bepalend is. Het is volgens de rechtbank aan het college om het belang van rechtszekerheid, en het gewicht wat het college daaraan toekent, mee te wegen bij haar besluit.
In de vierde plaats kan het intrekken van een onherroepelijke vergunning een inbreuk zijn op het eigendomsrecht, het recht op ongestoorde eigendom. In dat geval moet getoetst worden of sprake is van ‘fair balance’. De rechtbank oordeelt hoe dat getoetst moet worden en wanneer er in het kader van het ‘evenredigheidsbeginsel’ een redelijk evenwicht is tussen de eisen van het algemeen belang en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu.
Bij de vraag of sprake is van dat redelijke evenwicht tussen de gevolgen van de ingrijpende maatregelen voor de individu en het doel wat daarmee wordt nagestreefd, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband gezien, in ogenschouw worden genomen. Daarbij moet worden betrokken of de passende maatregelen die tot een inbreuk leiden, geschikt en noodzakelijk zijn. Bij de keuze van passende maatregelen om het algemeen belang te dienen, komt het provinciebestuur beoordelingsvrijheid toe.
Aan het vereiste van een ‘fair balance’ is niet voldaan als één of meer betrokkene(n) een individuele en buitensporige last te dragen hebben als gevolg van de wettelijke maatregel.
Vervolgens verstrekt de rechtbank aan het college een opsomming van de belangen en omstandigheden die ‘minimaal’ moeten worden meegewogen:
Een enkele verwijzing naar een landelijk maatregelenpakket biedt geen enkele zekerheid om het intrekken van vergunningen van piekbelasters te voorkomen.
Daarbij is het de vraag wat het intrekkingsbeleid van de provincie is voor piekbelasters: wanneer is daarvan sprake en geldt de maatregel om een vergunning in te trekken ook voor andere piekbelasters.
Ook zal het college moeten onderbouwen hoe zij het algemene belang op rechtszekerheid in dezen heeft meegewogen en welk belang zij daaraan zelf hecht. Dit hangt naar mijn mening samen met het nog vast te stellen intrekkingsbeleid en dus in welke gevallen en onder welke voorwaarden het college tot intrekking van de vergunning kan besluiten.
Ten slotte is het de vraag of het college voldoende kan onderbouwen dat intrekking van de vergunning in dezen de minst bezwarende maatregel is, waarom innovatieve maatregelen niet volstaan, en hoe de ‘fair balance’ afweging heeft plaatsgevonden.
Gelet op vorenstaande kan niet zomaar tot een rechtsgeldig intrekkingsbesluit gekomen worden en is het de vraag of dit college daartoe daadwerkelijk verplicht is door de uitspraak. Hierover zal ongetwijfeld verder geprocedeerd worden.
Wilt u over dit onderwerp meer weten? Neem dan vrijblijvend contact met ons op.
auteur
Elske Zonderland
ezonderland@benthemgratama.nl
+31 (0)6 829 839 73