Waarmee kunnen we u helpen?

-

Feitelijke beschikkingsmacht over landbouwgrond

Op 12 mei 2026 deed het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb) een uitspraak over de vraag of een melkveehouder de feitelijke beschikkingsmacht had over een perceel landbouwgrond waarop door een aardappelteler pootgoed werd geteeld. Het ging erom wie de grond mocht opgeven bij de Gecombineerde opgave en wie in aanmerking kwam voor GLB inkomenssteun.

Meststoffenwet en grondgebondenheid

Deze uitspraak kan ook relevant zijn voor de vraag wanneer landbouwgrond meetelt voor de hoeveelheid mestplaatsingsruimte in het kader van de Meststoffenwet, ook al is dat juridisch kader anders. Minister Van Essen (LVVN) wil daarbij maatregelen treffen die zien op meer grondgebondenheid binnen de melkveehouderij en het Wetsvoorstel Grondgebondenheid is reeds als onderdeel van een standaardprocedure ‘genotificeerd’ aan de Europese Commissie. Ook dan gaat het om de vraag wanneer landbouwgrond meeteelt bij een bedrijf voor het vaststellen van de mate van grondgebondenheid.

De uitspraak

De meervoudige kamer van het CBb heeft in diverse zaken één uitspraak gedaan waarbij het in deze zaken ging over de vraag tot welk bedrijf die percelen landbouwgrond waarop pootgoed werd geteeld behoorden en welk bedrijf die percelen in dat jaar (2022) in de Gecombineerde opgave hadden moeten opgeven. Volgens de minister behoorden de percelen tot het bedrijf van de aardappelteler die aardappels heeft geteeld op percelen van landbouwers, omdat hij volgens de minister de feitelijke beschikkingsmacht had over die percelen. Het CBb oordeelt dat het grootste gedeelte van de betrokken percelen tot het bedrijf van de melkveehouders hoorden, en dus niet tot het bedrijf van de aardappelteler behoorden.

De feiten

Door de aardappelteler (als ‘loonwerker’) en de melkveehouder (als ‘teler’) was een overeenkomst gesloten, die door het CBb als volgt is samengevat: “ (…) 2: Teler eigenaar is en beschikkingsmacht heeft over bovenstaand perceel. 3: Volgens teeltplan van teler heeft dit perceel de mogelijkheid tot aardappelteelt. 4: De teelt op dit perceel vind plaats voor rekening en risico van teler. 5: Teler geeft loonwerker opdracht, de teeltwerkzaamheden uit te voeren. 6: De loonwerker zal de teelt zo goed en kundig mogelijk uitvoeren. 7: Teler zal het perceel bij de gecombineerde opgave opgeven. 8: Na de oogst zal loonwerker de gemaakte teeltkosten factureren aan teler. 9: De opbrengst aardappels koopt loonwerker van teler voor een prijs van 60 euro per ton. 10: De afrekening zal plaatsvinden door verrekening van gemaakte kosten met de opbrengst van geoogste aardappels.[…]”

Uit de uitspraak kan worden afgeleid dat partijen de overeenkomst ook op deze wijze hebben uitgevoerd. De aardappelteler heeft aan de melkveehouder gefactureerd voor zijn werkzaamheden in het kader van de aardappelteelt. Op de factuur staan kosten van ploegen, poten, opruggen, spuiten, gewasbeschermingsmiddelen en rooien. De totale kosten daarvan zijn verrekend met de prijs van de koop van de geoogste werkelijke aantal aardappelen waardoor de oogst invloed had op de uiteindelijk te verrekenen prijs.

Beoordeling

De percelen behoren volgens het CBb tot een bedrijf als de landbouwer het perceel feitelijk in gebruik heeft en tevens beschikt over een (vormvrije) gebruikstitel voor dat perceel (vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van 14 oktober 2010, Landkreis Bad Dürkheim, (ECLI:EU:C:2010:606). De gebruikstitel moet de landbouwer de bevoegdheid geven om de percelen met een zekere autonomie voor de uitoefening van een landbouwactiviteit te beheren.

Het CBb is vervolgens van oordeel dat de aardappelteler voldoende heeft aangetoond dat de percelen niet tot zijn bedrijf behoorden. De melkveehouder gaf opdracht om op bepaalde percelen aardappelen te telen en bepaalde daarmee zelf wanneer op die percelen aardappelen geteeld werden. De melkveehouder beschikte in zoverre dus zelfstandig over de uitoefening van de landbouwactiviteit op het perceel. Partijen gaven ook uitvoering aan de overeenkomst. De aardappelteler bepaalde weliswaar hoe aardappelteelt plaatsvond en verrichtte de meeste uitvoerende werkzaamheden, maar die werkzaamheden gingen niet verder dan de aardappelteelt en besloeg slechts een deel van het jaar. De aardappelteelt diende daarbij voornamelijk om de kwaliteit van de grond te verbeteren zodat het gras, dat na afloop van de aardappelteelt werd ingezaaid, kon dienen als voer voor het vee waardoor de teelt ten dienste stond van de exploitatie van de melkveehouderij. Verder droeg de melkveehouder het teeltrisico voor de aardappelen omdat de uiteindelijke vergoeding afhankelijk was van de omvang van de oogst.

Conclusie

Uit deze uitspraak volgt dus dat de melkveehouder over de landbouwgrond voldoende beschikkingsmacht had om in aanmerking te komen voor GLB-inkomenssteun. Nu de melkveehouder ook de feitelijke beschikkingsmacht had over het bemestingsplan, lijkt deze uitspraak ook te kunnen worden toegepast voor de vraag of de melkveehouder de grond kon meetellen voor zijn mestplaatsingsruimte.

Als er nieuwe regels komen die zien op grondgebondenheid kan mogelijk voorzichtig geconcludeerd worden dat de samenwerking met akkerbouwers in bepaalde gevallen nog steeds gezocht kan worden zonder dat dit voor de melkveehouder ten koste gaat van de mate van grondgebondenheid. Deze uitspraak biedt een redelijk uitgebreid kader om te onderbouwen wanneer daaraan wordt voldaan.

Wilt u over dit onderwerp meer weten? Neem dan vrijblijvend contact met ons op.

auteur
Elske Zonderland
ezonderland@benthemgratama.nl
+31 (0)6 829 839 73

U gebruikt een verouderde browser van Internet Explorer die niet meer wordt ondersteund. Voor optimale prestaties raden wij u aan om een nieuwere browser te downloaden. Hiervoor verwijzen wij u door naar:

browsehappy.com sluiten