In deze uitspraak draait het om een veelvoorkomend probleem in agrarische families: hoe moet je een familiebedrijf waarderen als één van de kinderen wordt onterfd en zijn of haar legitieme portie opeist? De kernvraag: moet je uitgaan van de economische waarde (marktwaarde) of van de agrarische waarde (de waarde waartegen het bedrijf nog kan worden overgenomen en rendabel kan worden voortgezet)?
Die keuze maakt enorm veel uit. Grondprijzen zijn tegenwoordig zo hoog dat een agrarisch bedrijf vrijwel nooit kan worden voortgezet als het tegen economische waarde moet worden overgenomen. Daarom kent de rechtspraak een uitzondering: in sommige situaties mag je afwijken van de economische waarde, zodat het familiebedrijf kan blijven bestaan.
Als een ouder een kind onterft, heeft dat kind tóch recht op een deel van de erfenis: de legitieme portie. Die wordt berekend over de legitimaire massa, en die bestaat uit:
Een onterfd kind heeft recht op de helft van het erfdeel dat het normaal, dus zonder onterving, zou hebben gekregen. Hoeveel dat precies is, hangt af van de zogenoemde legitimaire massa: de waarde van de nalatenschap op het moment van overlijden, eventueel verhoogd met bepaalde giften. Als er een agrarisch bedrijf in de nalatenschap zit, is de waarderingsmethode een beslissende factor bij het bepalen van de hoogte van de legitieme portie.
In een VOF-overeenkomst kan bijvoorbeeld worden vastgelegd dat bij overlijden van een vennoot de overblijvende vennoten het bedrijf kunnen overnemen tegen de agrarische waarde. Bij de berekening van de legitieme portie kan dit echter tot gevolg hebben dat het verschil tussen de agrarische waarde en de economische (markt)waarde als een schenking /gift wordt aangemerkt. Dit ondermijnt het doel van deze agrarische waardering. De overblijvende vennoot zou in dat geval alsnog moeten afrekenen, wat het risico met zich meebrengt dat het bedrijf failliet gaat.
Het is daarom vaste rechtspraak dat bij agrarische familiebedrijven soms niet de marktwaarde, maar de agrarische waarde mag worden gehanteerd bij de berekening van een nalatenschap of de legitieme portie. Dit is toegestaan onder de volgende voorwaarden:
Familiegeschiedenis
Vader had een boerenbedrijf dat al vier generaties in de familie zat. Hij dreef het bedrijf samen met moeder in een VOF. Na zijn overlijden in 1999 kreeg moeder alles: de drie kinderen kregen een onderbedelingsvordering van ¼ van de nalatenschap van vader. Moeder zette het bedrijf voort en richtte in 2012 een nieuwe VOF op met haar twee zoons. In die VOF-akte stond een voortzettingsregeling: bij overlijden van moeder mogen de zoons haar aandeel overnemen tegen agrarische waarde. Moeder maakte in haar testament alleen de twee zoons tot erfgenaam. De dochter werd uitgesloten. Na moeders overlijden in 2021 deed de dochter een beroep op haar legitieme portie.
Het geschil
De dochter vond dat het bedrijf tegen economische waarde moest worden meegenomen in de berekening van haar legitieme portie. Omdat de zoons (haar broers) op basis van de VOF-akte voor een veel lagere agrarische waarde konden overnemen, vond zij dat het verschil tussen de economische waarde en de agrarische waarde moest worden gezien als een gift en dus bij de legitimaire massa opgeteld moest worden.
Volgens haar was bovendien:
De zoons beriepen zich op de voortzettingsjurisprudentie, en voerden aan dat:
Beoordelingskader
Bij de beoordeling van dit geschil hanteert de rechter de volgende door de Hoge Raad vastgestelde uitgangspunten:
Daarnaast weegt de rechter ook de aard van de onderlinge relatie tussen de deelgenoten mee.
Het oordeel van de rechtbank
Daarom: toepassing van de agrarische waarde
De rechtbank beslist dat:
De dochter moet dus genoegen nemen met een veel lagere legitieme portie dan zij had berekend.
Bij agrarische familiebedrijven kan dus onder omstandigheden tegen de agrarische waarde worden overgedragen. Het doel van deze voortzettingsjurisprudentie is duidelijk: het familiebedrijf moet niet ten onder gaan aan overname tegen de economische waarde.
Voor erfgenamen die geen voortzetters zijn, kan dit zuur zijn, maar het is wel de bestaande lijn om agrarische bedrijfsopvolging mogelijk te houden. In de praktijk worden regelmatig meerwaardeclausules gebruikt om de positie van de niet-voortzettende kinderen eerlijker te maken.
Heeft u te maken met een vergelijkbare situatie of wilt u advies over het regelen van een bedrijfsopvolging? Neem dan gerust contact met mij op.
auteur:
Sanne Oxener
soxener@benthemgratama.nl
+31 (0)6 455 694 46